ECLI:NL:RVS:2018:2048
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vergoeding rechtsbijstand en belanghebberschap bij intrekking toevoeging
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van een vergoeding voor verleende rechtsbijstand centraal. De raad voor rechtsbijstand had een vergoeding toegekend aan een advocaat die rechtsbijstand verleende op basis van een toevoeging, maar een andere advocaat maakte bezwaar omdat de toevoeging volgens haar moest worden ingetrokken vanwege het overschrijden van het normbedrag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de bezwaarmaker niet als belanghebbende werd gezien bij het besluit tot vaststelling van de vergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de advocaat wel degelijk belanghebbende is, omdat de vastgestelde vergoeding rechtstreeks invloed heeft op haar financiële positie.
De Afdeling benadrukte dat de vaststelling van de vergoeding juridisch moet worden onderscheiden van de intrekking van de toevoeging op basis van een resultaatsbeoordeling. Hoewel de intrekking van een toevoeging geen gevolg heeft voor de vergoeding, kan de advocaat de toevoeging alsnog laten intrekken via een apart verzoek. Het bezwaar tegen de vaststelling van de vergoeding werd inhoudelijk ongegrond verklaard, waarmee het besluit in stand bleef.
Uitkomst: De Afdeling verklaart de advocaat wel belanghebbende bij de vergoeding, vernietigt eerdere uitspraak en besluit, maar handhaaft de vastgestelde vergoeding.