ECLI:NL:RVS:2018:2056
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde na strafrechtelijke veroordeling
Appellant heeft bij de burgemeester een verklaring afgelegd om het Nederlanderschap te verkrijgen. De burgemeester weigerde deze verklaring te bevestigen op grond van artikel 6, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat appellant een strafrechtelijke veroordeling had die ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde opriep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het besluit van de burgemeester niet was genomen, dat de aard van de opgelegde sanctie (voorwaardelijk of onvoorwaardelijk) wel relevant is, en dat haar persoonlijke belangen onvoldoende waren meegewogen, waaronder de omgang met haar kinderen.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van de burgemeester wel degelijk was genomen en dat het beleid en de wetgeving duidelijk maken dat de aard van de sanctie niet relevant is voor de beoordeling. Tevens is het beleid gericht op rechtszekerheid en gelijke behandeling, waarbij een rehabilitatietermijn van vier jaar geldt. De omstandigheden van appellant rechtvaardigen geen afwijking van dit beleid.
Ook het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) faalde, omdat het ontbreken van een Nederlands paspoort het contact tussen de kinderen en hun vader niet hoeft te belemmeren. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de burgemeester om het Nederlanderschap van appellant te bevestigen wegens ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde.