ECLI:NL:RVS:2018:2067
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vergunningverlening sjorbedrijf Dutch Dockers
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 26 november 2013 een vergunning aan coöperatie Dutch Dockers voor het sjorbedrijf. Matrans e.a., concurrenten op de Rotterdamse sjormarkt, maakten bezwaar tegen deze vergunning. De rechtbank Rotterdam verklaarde deze bezwaren gegrond en vernietigde de besluiten van 7 april en 15 juli 2014, waarbij het college de vergunningvoorschriften had gewijzigd. De rechtbank oordeelde dat Dutch Dockers geen sjorbedrijf was omdat zij geen sjorders in dienst had met een arbeidsovereenkomst, zoals vereist volgens de Havenbeheersverordening.
Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college het begrip "in dienst" in de Havenbeheersverordening terecht heeft uitgelegd als "werkzaam onder verantwoordelijkheid van" en dat geen arbeidsovereenkomst vereist is. Tevens werd geoordeeld dat Matrans e.a. voldoende belang hadden bij de beoordeling van het beroep vanwege mogelijke schade door concurrentie. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen de besluiten van 7 april 2014 gegrond voor zover het vergunningvoorschriften 1 en 2 betreft, maar verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 juli 2014 ongegrond.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat Dutch Dockers terecht als sjorbedrijf werd aangemerkt, dat de vergunningverlening niet prematuur was en dat de voorwaarden omtrent beschikbaarheid en certificering redelijk waren gesteld. Het incidenteel hoger beroep van Matrans e.a. werd niet-ontvankelijk verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan Matrans e.a.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd, waarbij het beroep tegen vergunningvoorschriften 1 en 2 van 7 april 2014 gegrond wordt verklaard.