ECLI:NL:RVS:2018:2073
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod vreemdeling afgewezen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 8 juli 2016 een terugkeerbesluit uit tegen een vreemdeling, waarbij zij werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling tekende hiertegen beroep aan bij de rechtbank Den Haag, die op 2 augustus 2016 het beroep gegrond verklaarde omdat de staatssecretaris het besluit ten onrechte als een terugkeerbesluit met vertrektermijn nul dagen had aangemerkt.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de vreemdeling door haar asielaanvraag op 15 juni 2016 rechtmatig verblijf had verkregen, waardoor het Tijdelijk besluit uitzonderingen terugkeerrichtlijn (Tbut) niet op haar van toepassing was. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn niet op de vreemdeling van toepassing was.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het het beroep gegrond had verklaard en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden, waaronder het ontbreken van een vertrektermijn en het onnodig zware karakter van het inreisverbod, faalden omdat zij niet nader waren toegelicht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.