ECLI:NL:RVS:2018:2146
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging relevante feiten bij naturalisatie
De minister van Veiligheid en Justitie heeft het Nederlanderschap van appellant ingetrokken omdat hij relevante feiten heeft verzwegen tijdens de toelatings- en naturalisatieprocedure, namelijk de geboorte van een dochter bij een andere vrouw. Dit leidde tot twijfel over de duurzaamheid en exclusiviteit van zijn relatie met zijn partner, een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap.
Appellant voerde aan dat de dochter was verwekt voordat hij een verblijfsvergunning had en dat hij geen weet had van haar geboorte, maar de rechtbank en de Raad van State oordeelden dat deze feiten wel degelijk relevant waren en dat appellant zich had moeten informeren over de voorwaarden voor naturalisatie. Tevens werd geoordeeld dat de belangenafweging op grond van het evenredigheidsbeginsel, zoals geformuleerd in het Rottmann-arrest, voldoende was uitgevoerd.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de intrekking van het Nederlanderschap gerechtvaardigd was en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het verlies van zijn rechten als EU-burger onevenredig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.