ECLI:NL:RVS:2018:2159

Raad van State

Datum uitspraak
28 juni 2018
Publicatiedatum
29 juni 2018
Zaaknummer
201800523/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbTerugkeerrichtlijn PB 2008, L 348
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling tegen terugkeerbesluit en inreisverbod

Bij besluit van 29 december 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Tevens is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 januari 2018 het beroep gegrond verklaarde, het terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigde, de bewaring ophefte en schadevergoeding toekende.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft in een eerdere uitspraak van 7 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1911) de rechtsvraag beantwoord of een eerder in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming het gebruik van de terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn in de weg staat. Deze overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing.

De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzitter Verheij en leden Hent en Van der Wiel, in aanwezigheid van griffier Nieuwenhuizen, op 28 juni 2018.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

201800523/1/V3.
Datum uitspraak: 28 juni 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 januari 2018 in zaken nrs. NL18.124 en NL18.130 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 11 januari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het terugkeerbesluit en het inreisverbod vernietigd, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Paffen, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag of een eerder door de vreemdeling in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming eraan in de weg staat dat de staatssecretaris gebruik maakt van de terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn (PB 2008, L 348), heeft de Afdeling bij uitspraak van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1911, beantwoord. Die overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De door de vreemdeling in de gronden van beroep opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling eveneens beantwoord bij voormelde uitspraak van 7 juni 2018. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de besluiten van 29 december 2017 alsnog ongegrond verklaren. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 januari 2018 in zaken nrs. NL18.124 en NL18.130;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep ongegrond;
IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Nieuwenhuizen
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018
633.