ECLI:NL:RVS:2018:216
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.E.M. Polak
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Weigering drank- en horecavergunning wegens ernstig gevaar gebruik voor strafbare feiten
De burgemeester van Utrecht weigerde op 17 december 2015 aan appellant drank- en horecavergunningen voor een restaurant en hotel te verlenen, gebaseerd op een bibob-advies dat een ernstig gevaar constateerde dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor strafbare feiten. Dit advies wees op de zakelijke samenwerking tussen appellant en de eigenaar van de panden, die eerder veroordeeld was voor het nalaten van verplichte gegevensverstrekking en vermoedelijk betrokken was bij het exploiteren van een seksinrichting zonder vergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ernstig gevaar aannemelijk was, mede door de samenhang tussen de strafbare feiten en de activiteiten waarvoor de vergunningen werden aangevraagd. Appellant stelde in hoger beroep dat de strafbare feiten niet samenhingen met de aangevraagde vergunningen en dat de weigering disproportioneel was.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant niet betwistte dat hij in een zakelijk samenwerkingsverband stond met de veroordeelde eigenaar en dat de strafbare feiten in de horecabranche waren gepleegd. De feiten toonden een verband tussen de illegale prostitutie en het restaurant waarvoor vergunningen werden aangevraagd. Gezien de ernst van de feiten en het geringe tijdsverloop sinds de laatste constatering, was de weigering van de vergunningen niet disproportioneel.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de vergunningen wegens ernstig gevaar dat deze worden gebruikt voor strafbare feiten.