ECLI:NL:RVS:2018:2161

Raad van State

Datum uitspraak
28 juni 2018
Publicatiedatum
29 juni 2018
Zaaknummer
201802957/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbTerugkeerrichtlijn (PB 2008, L 348)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing beroep vreemdeling tegen terugkeerbesluit

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 13 maart 2018 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en in vreemdelingenbewaring werd gesteld. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde, het terugkeerbesluit vernietigde en schadevergoeding toekende.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat een eerder in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming het gebruik van de terugkeerprocedure niet in de weg staat, conform een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:1911). Op grond hiervan werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Vervolgens verklaarde de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit alsnog ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 28 juni 2018 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

201802957/1/V3.
Datum uitspraak: 28 juni 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 april 2018 in zaken nrs. NL18.5285 en NL18.5831 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Bij besluit van dezelfde datum is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het terugkeerbesluit vernietigd en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag of een eerder door de vreemdeling in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming eraan in de weg staat dat de staatssecretaris gebruik maakt van de terugkeerprocedure in de zin van de Terugkeerrichtlijn (PB 2008, L 348), heeft de Afdeling bij uitspraak van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1911, beantwoord. Die overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de besluiten van 13 maart 2018 alsnog ongegrond verklaren. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.
2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 4 april 2018 in zaken nrs. NL18.5285 en NL18.5831;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep ongegrond;
IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Nieuwenhuizen
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018
633.