ECLI:NL:RVS:2018:2428
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.Th. Drop
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake omgevingsvergunning voor vrijstaande woning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer verleende op 2 februari 2016 een omgevingsvergunning voor de bouw van een vrijstaande woning met garage/bijkeuken op een perceel in Zoetermeer, waarbij het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Oosterheem/Zegwaartseweg-Noord". De vergunning werd verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in combinatie met artikel 4 van Pro Bijlage II van het Bor.
De Vereniging Villawijk Parkeiland en een wederpartij maakten bezwaar tegen deze vergunning en stelden dat het college niet bevoegd was deze te verlenen, dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en de beleidsregels, en dat onvoldoende rekening was gehouden met hun belangen. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en verklaart het hoger beroep van het college gegrond.
De Afdeling oordeelt dat het college terecht de beleidsregels heeft toegepast en dat het aangebouwde bijgebouw kwalificeert als een bijbehorend bouwwerk, zodat de vergunning met toepassing van artikel 4 van Pro Bijlage II van het Bor kon worden verleend. De belangen van de vereniging worden als belanghebbende erkend, maar de vereniging slaagt er niet in aan te tonen dat het college de belangen onvoldoende heeft meegewogen. De gewijzigde beleidsregels laten ruimte voor een integrale belangenafweging, waarbij de afdeling Stedelijke Ontwikkeling de stedenbouwkundige aspecten adviseert en het college de uiteindelijke afweging maakt.
De Afdeling concludeert dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft mogen verlenen en verklaart de beroepen tegen het besluit van 1 juli 2016 ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de beroepen bij de rechtbank worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen tegen het besluit van het college ongegrond verklaard.