ECLI:NL:RVS:2018:2484
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.B.M. Hent
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling wegens motiveringsgebrek
Bij besluit van 18 mei 2018 werd aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 7 juni 2018 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de staatssecretaris de motivering voor het opleggen van de maatregel pas na de oplegging had gegeven, wat volgens eerdere jurisprudentie een motiveringsgebrek oplevert. De staatssecretaris had aanvankelijk alleen vermeld dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en niet over voldoende middelen van bestaan beschikte, en motiveerde het onttrekkingsrisico pas later in een aanvullend proces-verbaal.
De Afdeling oordeelde dat de motivering niet pas na oplegging kenbaar mag worden gemaakt en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat dit toelaatbaar was. De maatregel was daardoor van aanvang af onrechtmatig. Het hoger beroep werd kennelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van 18 mei tot 7 juni 2018 en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een vergoeding en proceskosten toegekend.