ECLI:NL:RVS:2018:2489
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging gedoogbeschikking wegens onjuiste omzettingsvergunning woning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende een persoonsgebonden gedoogbeschikking vanwege het ontbreken van een omzettingsvergunning voor het omzetten van een zelfstandige woning naar onzelfstandige bewoning. De woning werd kamergewijs verhuurd en was in 1993 als onzelfstandige woonruimte aangekocht.
De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van het college, omdat de omzetting onafgebroken zou hebben voortgeduurd sinds vóór mei 1975, waardoor geen vergunning vereist was. Het college stelde hoger beroep in en betoogde dat de omzetting niet onafgebroken was, onder meer op basis van gegevens uit de basisregistratie personen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de verklaringen van buurtbewoners, die spraken van onzelfstandige bewoning door meerdere personen tussen 1981 en 1987, voldoende waren om de BRP-gegevens te weerleggen. Daarmee was de omzetting onafgebroken en was de gedoogbeschikking onterecht verleend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betalen van griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de gedoogbeschikking bevestigd.