ECLI:NL:RVS:2018:2567
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- B.P. Vermeulen
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verblijf en toeslagverlening na intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Appellante had een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij haar voormalige partner, geldig tot 18 februari 2017. De staatssecretaris trok deze vergunning met terugwerkende kracht in tot 28 juni 2013 omdat zij niet meer voldeed aan de voorwaarden, met name omdat de samenwoning was verbroken.
De Belastingdienst/Toeslagen stelde op basis hiervan vast dat appellante vanaf 28 juni 2013 tot en met 2 juni 2015 niet rechtmatig in Nederland verbleef en herzag de toeslagen over die periode naar nihil. De rechtbank oordeelde dat de dienst nader onderzoek had moeten doen naar de rechtmatigheid van het verblijf, met name ook voor de periode tussen 8 april 2015 en 3 juni 2015, en vernietigde het besluit op bezwaar.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank onvoldoende aandacht had besteed aan de periode van 28 juni 2013 tot 15 oktober 2014. De Afdeling overwoog dat de rechtbank wel degelijk had bevolen tot nader onderzoek naar die periode en dat het betoog faalde. De Belastingdienst/Toeslagen kwam terug op het standpunt dat appellante gedurende de gehele periode onrechtmatig verbleef en erkende rechtmatig verblijf vanaf 15 oktober 2014, maar stelde dat zij geen aanspraak op toeslagen had omdat zij voorafgaand aan die periode niet rechtmatig verbleef. De Afdeling oordeelde dat het begrip 'aansluitend' in de Awir niet zo strikt moet worden uitgelegd, maar dat in deze zaak appellante de gevolgen van de verbreking van haar relatie en de intrekking van de verblijfsvergunning had kunnen voorzien. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.