ECLI:NL:RVS:2017:828
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling nihil zorgtoeslag na intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen om de toegekende voorschotten zorgtoeslag over 2013 en 2014 op nihil vast te stellen vanwege intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht.
De rechtbank had geoordeeld dat de intrekking met terugwerkende kracht betekende dat appellant vanaf 22 oktober 2012 geen rechtmatig verblijf meer had en daardoor geen aanspraak meer op zorgtoeslag. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de aanspraak op zorgtoeslag niet vervalt gedurende de periode waarin appellant bezwaar had gemaakt tegen de intrekking en rechtmatig verblijf had op grond van procedureel rechtmatig verblijf.
De Afdeling oordeelt dat artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet zo strikt moet worden uitgelegd dat een korte periode van onrechtmatig verblijf tussen twee periodes van rechtmatig verblijf ertoe leidt dat de aanspraak op zorgtoeslag vervalt. Tevens wordt geoordeeld dat het beroep van appellant op Unierechtelijke bepalingen en het EVRM faalt, omdat er geen automatische schorsende werking bestaat en de bijzondere omstandigheden niet zodanig zijn dat de stopzetting van de toeslag onrechtmatig is.
De Afdeling vernietigt het besluit van de Belastingdienst en de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens wordt de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot nihilstelling van de zorgtoeslag wordt vernietigd.