ECLI:NL:RVS:2018:2581
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoegingen wegens overschrijding normvermogen voor gefinancierde rechtsbijstand
Appellant kreeg in 2013 vier toevoegingen voor gefinancierde rechtsbijstand toegekend, waarbij eigen bijdragen werden vastgesteld op basis van zijn verzamelinkomen. Na hercontrole bleek dat zijn definitief vastgestelde inkomen en/of vermogen de wettelijke grens overschreed, waardoor de Raad voor Rechtsbijstand de toevoegingen introk en de betaalde bedragen terugvorderde.
Appellant voerde aan dat de Raad onjuiste inkomens- en vermogensgegevens gebruikte, omdat de fiscale gegevens feitelijk betrekking hadden op voorgaande jaren en dat de terugvordering disproportioneel was. Hij stelde dat alleen het meerdere boven het normvermogen had mogen worden teruggevorderd en dat de Raad geen rekening had gehouden met zijn situatie van inleveren op vermogen.
De Raad voor Rechtsbijstand en de rechtbank oordeelden dat de fiscale gegevens als grondslag moesten dienen en dat de wet geen ruimte biedt voor een hardheidsclausule. Ook werd het bezwaar dat appellant niet was uitgenodigd voor een hoorzitting buiten beschouwing gelaten omdat dit betoog niet eerder was ingebracht.
De Raad van State bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarmee blijft de intrekking van de toevoegingen en de terugvordering van in totaal € 4.190,43 in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de toevoegingen en de terugvordering van € 4.190,43 wegens overschrijding van het normvermogen.