ECLI:NL:RVS:2018:2637
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf medebewoner
De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag van appellant over 2013 en 2014 definitief vast op nihil en €2.662,00, omdat een medebewoner zonder rechtmatig verblijf op hetzelfde adres was ingeschreven. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, stellende dat de medebewoner rechtmatig verblijf had vanwege lopende procedures en dat verblijfscodes niet altijd actueel zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant aanvocht in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Belastingdienst zich mag baseren op de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst verstrekte verblijfscodes, tenzij concrete aanwijzingen voor twijfel worden gegeven. Appellant bracht dergelijke aanwijzingen niet voldoende aan.
Verder faalde het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen in eerdere toeslagtoekenningen, omdat voorschotten herzien kunnen worden en terugvordering mogelijk is. Ook het betoog over verrekening van teruggevorderde bedragen met latere toeslagen werd niet gevolgd, aangezien dit niet relevant is voor de aanspraak op huurtoeslag.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de huurtoeslag omdat een medebewoner zonder rechtmatig verblijf op hetzelfde adres stond ingeschreven.