ECLI:NL:RBLIM:2025:7323
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op huurtoeslag bij medebewoner zonder rechtmatig verblijf
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Limburg het beroep van eiser tegen de vaststelling van de huurtoeslag over 2021. Verweerder had de huurtoeslag vastgesteld op €4.151,- na vaststelling dat een medebewoner op hetzelfde adres niet rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser voerde aan dat deze persoon elders woonde, maar leverde onvoldoende bewijs.
De rechtbank overweegt dat volgens de basisregistratie personen (brp) de medebewoner vanaf 29 november 2021 tot 18 januari 2022 op hetzelfde adres stond ingeschreven. Uit navraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bleek dat deze persoon in december 2021 niet rechtmatig in Nederland verbleef. Eiser bracht geen concrete aanwijzingen voor twijfel aan deze gegevens naar voren.
De rechtbank acht de huurovereenkomst overgelegd door eiser onvoldoende om het standpunt te ondersteunen dat de medebewoner niet op het adres verbleef. Op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving en vaste jurisprudentie is verweerder bevoegd de inschrijving in de brp als juist aan te nemen zolang geen onjuistheid is aangetoond.
Daarom is het beroep ongegrond en blijft de vaststelling van de huurtoeslag ongewijzigd. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de huurtoeslag blijft ongewijzigd.