ECLI:NL:RVS:2018:2758
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende inburgering, verblijf en openbare ordegevaar
De minister van Veiligheid en Justitie wees het verzoek van appellant om het Nederlanderschap te verkrijgen af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Appellant had geen geldig inburgeringsdiploma en kon geen vrijstelling verkrijgen wegens het ontbreken van een recente medische verklaring. Tevens kon appellant niet aantonen dat hij gedurende de vereiste periode van vijf jaar onafgebroken hoofdverblijf in Nederland had.
Daarnaast bestonden er ernstige vermoedens dat appellant een gevaar voor de openbare orde vormde, vanwege een strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf in 2014. Appellant voerde psychische problemen aan als bijzondere omstandigheden die afwijking van de wettelijke voorwaarden zouden rechtvaardigen, maar deze werden niet aannemelijk gemaakt. Ook werd het betoog dat de hoorplicht was geschonden verworpen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsruimte en dat appellant niet had aangetoond dat hij in aanmerking kwam voor ontheffing van het inburgeringsexamen. De rechtbank had terecht geoordeeld dat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn verblijf in de relevante periode. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot naturalisatie wordt afgewezen vanwege onvoldoende inburgering, niet ononderbroken verblijf en een strafrechtelijke veroordeling die een gevaar voor de openbare orde vormt.