ECLI:NL:RVS:2018:2879
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor overtreding valveiligheidsvoorschriften op bouwlocatie
De minister legde een bestuurlijke boete van €18.000,- op aan een aannemersbedrijf vanwege overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in samenhang met artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. Deze overtreding betrof het ontbreken van een veilige steiger of adequate valbeveiliging op een bouwlocatie waar een werknemer ernstig letsel opliep na een val van een steiger.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vennootschap tegen de boete ongegrond, waarna de vennootschap hoger beroep instelde bij de Raad van State. Zij voerde aan dat het slachtoffer roekeloos had gehandeld, dat er adequate instructies en toezicht waren geweest, en dat de risico’s voldoende waren geïnventariseerd.
De Raad van State oordeelde dat de vennootschap onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het slachtoffer wist dat de steiger onveilig was of dat hij zelf onveilige handelingen had verricht. Ook ontbraken bewijsstukken dat er een veilige werkwijze was ontwikkeld of dat adequate instructies en toezicht waren gegeven. De boete was daardoor proportioneel en terecht opgelegd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €18.000,- wegens het niet naleven van valveiligheidsvoorschriften.