ECLI:NL:RVS:2018:2908
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget bij geschil over rechtmatig verblijf
De zaak betreft het geschil over de toekenning van zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag aan appellant sub 2 voor de jaren 2014 tot en met 2016. De Belastingdienst/Toeslagen had de toeslagen voor 2016 herzien op nihil vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf van appellant en zijn toeslagpartner in bepaalde periodes. De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en de besluiten vernietigd, stellende dat de periode van bezwaar en beroep als aansluitend rechtmatig verblijf moest worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt anders. Zij stelt vast dat appellant en zijn echtgenote in de relevante periodes geen rechtmatig verblijf hadden, mede door de met terugwerkende kracht ingetrokken verblijfsvergunning. De Afdeling benadrukt dat het koppelingsbeginsel en artikel 9 van Pro de Awir niet van toepassing zijn op de periode waarin geen rechtmatig verblijf bestond. Het incidenteel hoger beroep van appellant faalt omdat het formeel beperkte verblijfsrecht niet als rechtmatig verblijf kan worden aangemerkt.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond. Het hoger beroep van de Belastingdienst wordt gegrond verklaard, waarmee de toeslagen niet worden toegekend over de betwiste periodes. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de toeslagen worden niet toegekend over de betwiste periodes vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.