ECLI:NL:RVS:2018:2929
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschotten huur- en zorgtoeslag wegens onrechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellant heeft voor 2016 huur- en zorgtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorschotten per 1 augustus 2016 herzien naar nihil omdat de toeslagpartner onrechtmatig in Nederland verbleef, gebaseerd op gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Appellant voerde aan dat de schorsende werking van bezwaar en beroep in de verblijfsprocedure ten onrechte ontbrak en dat op grond van artikel 20 VWEU Pro een afgeleid verblijfsrecht bestond.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht uitging van het onrechtmatig verblijf en dat geen grond bestond voor toepassing van het koppelingsbeginsel of uitzonderingen. De Afdeling bevestigt dit oordeel en overweegt dat het ontbreken van automatische schorsende werking in bezwaar- en beroepsprocedures niet in strijd is met het Unierecht of het EVRM. Het arrest A.M. tegen Nederland verplicht geen automatische schorsende werking.
Verder is geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat de toeslagpartner op grond van artikel 20 VWEU Pro een afgeleid verblijfsrecht heeft. De Belastingdienst mocht uitgaan van het oordeel van de staatssecretaris dat geen recht op verblijf bestond. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de herziening van de voorschotten huur- en zorgtoeslag bevestigd.