ECLI:NL:RVS:2018:2975
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor bijgebouw ondanks bezwaren over planologische afwijkingen en archeologische bescherming
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen verleende op 14 juli 2016 een omgevingsvergunning voor het vervangen van een garage door een aangebouwd bijgebouw met kantoor- en wellnessruimte op een perceel te Bergen. Appellante, eigenaresse van een nabijgelegen appartementenhotel, maakte bezwaar tegen deze vergunning. Na een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar en een afwijzing van het beroep door de rechtbank, stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellante voerde onder meer aan dat het college onjuist de actuele tekst van het Besluit omgevingsrecht (Bor) had toegepast in plaats van de versie bij het bestemmingsplan, dat het bouwplan niet voldeed aan de bouwregels, en dat de archeologische belangen onvoldoende waren gewaarborgd. De Raad van State oordeelde dat het college terecht de actuele regelgeving toepaste en dat de planologische afwijkingen niet zodanig waren dat de vergunning onrechtmatig was verleend.
Daarnaast stelde de Raad vast dat de belangen van appellante niet beschermd worden door de archeologische bepalingen van het bestemmingsplan, zodat deze gronden niet tot vernietiging konden leiden. Ook het bezwaar over de oppervlakte van het achtererfgebied en de vergunningvrije bouwmogelijkheden faalde, omdat het college de voorgevel correct had vastgesteld en het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.