ECLI:NL:RVS:2018:3010

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2018
Publicatiedatum
18 september 2018
Zaaknummer
201805515/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring

De vreemdeling werd bij besluit van 8 juni 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het tegen deze maatregel ingestelde beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de werkwijze van de staatssecretaris bij het staandehouden, overbrengen en ophouden van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten onrechtmatig was, zoals eerder bevestigd in een uitspraak van 4 september 2018. Op grond hiervan werd het hoger beroep gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

De Afdeling verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 8 juni 2018 alsnog gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel reeds was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Wel werd aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend over de periode van 8 tot 12 juni 2018. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt voor rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring onrechtmatig bevonden en schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

201805515/1/V3.
Datum uitspraak: 17 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juni 2018 in zaak nr. NL18.10928 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 27 juni 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het voortzetten van de onrechtmatig geoordeelde werkwijze die de staatssecretaris hanteert bij het staandehouden, overbrengen en ophouden van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten heeft de Afdeling bij uitspraak van 4 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2933, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van  8 juni 2018 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 8 juni 2018 tot 12 juni 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 juni 2018 in zaak nr. NL18.10928;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 320,00 (zegge: driehonderdtwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Hent    w.g. Ahmady-Pikart
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2018
638-839.