Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2018:3084

Raad van State

Datum uitspraak
19 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
201807163/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:104 AwbArt. 84 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000Art. 95 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep verlenging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen de verlenging van een aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Bij besluit van 27 juli 2018 werd deze maatregel met maximaal drie maanden verlengd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten tot verlenging van vrijheidsontnemende maatregelen. Hoewel in uitzonderlijke gevallen, zoals ernstige schendingen van procesorde of fundamentele rechtsbeginselen, een appel toch mogelijk kan zijn, bood het aangevoerde geen grond voor een dergelijk oordeel.

Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 september 2018 door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de verlenging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Uitspraak

201807163/1/V3.
Datum uitspraak: 19 september 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 augustus 2018 in zaak nr. NL18.14589 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2018 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste drie maanden.
Bij uitspraak van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5.
Ingevolge artikel 94, zevende lid, voor zover thans van belang, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, en artikel 59b, vijfde lid.
Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, vijfde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.
Gelet op voornoemde bepalingen staat hoger beroep open tegen een uitspraak gedaan op een beroep ingesteld tegen een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 59, 59a en 59b van de Vw 2000 en tegen uitspraak gedaan op een beroep ingesteld tegen een besluit tot verlenging van een maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, en artikel 59b, vijfde lid, van die wet.
2.    Het door de vreemdeling ingestelde beroep is een beroep tegen een besluit tot verlenging van de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Gelet op de onder 1 vermelde wettelijke bepalingen staat daartegen geen hoger beroep open.
3.    Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Wat de vreemdeling daarover heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is.
4.    De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Annen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018
765.