ECLI:NL:RVS:2024:3466
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling misbruik van recht bij aanvraag EU-recht en bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 5 maart 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de vreemdeling misbruik van recht heeft gemaakt door een aanvraag om toetsing aan het EU-recht in te dienen zonder relevante informatie of verblijfsdoel, met als doel de voorwaarden voor procedureel rechtmatig verblijf kunstmatig te creëren en zo invrijheidsstelling te bewerkstelligen. Dit strookt niet met het doel van de Unieregeling.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond. De bewaring is rechtmatig opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling blijft rechtmatig; het hoger beroep van de minister wordt toegewezen en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.