ECLI:NL:RVS:2018:3097
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom voor verwijderen vlonder en beëindigen dakterras in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een last onder dwangsom op om een houten vlonder en dakluik op het dak van een pand te verwijderen en het gebruik van het dak als dakterras te beëindigen. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking van de dwangsom, maar liet de overige besluiten in stand.
In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de houten vlonder niet als bouwwerk kwalificeert waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, omdat deze los op het dak ligt en geen constructie vormt. Daarmee was het college niet bevoegd handhavend op te treden op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Daarnaast heeft het college ten onrechte niet de juiste wettelijke grondslag aangevoerd voor het handhaven tegen het gebruik van het dak als dakterras, waardoor ook dat deel van de last niet rechtsgeldig is opgelegd.
De Afdeling vernietigt daarom de bestreden uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 30 juni 2015 in stand zijn gelaten met betrekking tot de last onder dwangsom en verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 17 mei 2016 gegrond. Het college moet opnieuw beslissen over de bezwaren met een juiste grondslag en beoordeling, inclusief de hoogte van de dwangsom en het gelijkheidsbeginsel. Tevens is bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De last onder dwangsom voor verwijderen van de vlonder en beëindigen van het gebruik van het dak als dakterras wordt vernietigd en het college moet opnieuw beslissen.