ECLI:NL:RVS:2018:3141
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- A.J.C. de Moor-van Vught
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verval subsidiaire bescherming na terugkeer naar land van herkomst
De staatssecretaris heeft de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en geweigerd deze te verlengen, omdat de omstandigheden die de bescherming rechtvaardigden niet langer bestonden. De rechtbank verklaarde deze besluiten onrechtmatig, maar de Raad van State vernietigt dit oordeel.
De vreemdeling had een paspoort aangevraagd en verbleef drie weken in Iran, wat volgens de staatssecretaris wijst op vrijwillige terugkeer en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank had dit niet voldoende meegewogen en ging uit van de verklaringen van de vreemdeling, die zij als geloofwaardig beschouwde.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling zich bekend heeft gemaakt bij de Iraanse autoriteiten en dat de omstandigheden voor subsidiaire bescherming zijn komen te vervallen. Ook de door de vreemdeling aangevoerde emotionele en medische omstandigheden leiden niet tot een andere uitkomst.
Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.