ECLI:NL:RVS:2016:2070
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 2 oktober 2014 de aanvragen van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 11 december 2015 dat het bezwaarbesluit ondeugdelijk was gemotiveerd en vernietigde dit besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het gezinsleven tussen de vreemdelingen en hun meerderjarige dochter, de referente, valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank vond dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat er geen bijzondere gezinsbanden bestonden, terwijl de staatssecretaris stelde dat er geen meer dan normale emotionele banden waren en dat de vreemdelingen niet afhankelijk waren van de referente.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat het gezinsleven niet onder artikel 8 EVRM Pro valt, mede gelet op het feit dat de vreemdelingen al geruime tijd zonder de referente in Pakistan verblijven en geen intensief contact onderhouden. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.