ECLI:NL:RVS:2018:3214
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoegingen rechtsbijstand wegens te hoog vermogen
De appellant had meerdere toevoegingen voor rechtsbijstand ontvangen die later door de raad werden ingetrokken nadat was vastgesteld dat zijn vermogen te hoog was volgens de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De rechtbank had het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant voerde aan dat zijn tweede woning niet als vermogen meegeteld had moeten worden vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het feit dat hij de woning met verlies had verhuurd en verkocht. Hij stelde dat de raad op grond van artikel 34f, tweede lid, Wrb van vordering had moeten afzien wegens zwaarwegende omstandigheden. De Afdeling oordeelde dat de Wrb geen ruimte laat voor afwijking van de inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst en dat de raad terecht de toevoegingen had ingetrokken.
De Afdeling overwoog dat de financiële situatie van appellant, ondanks de nadelige gevolgen van het bezit van een tweede woning, geen zwaarwegende omstandigheden oplevert die vordering door de raad uitsluiten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete en ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat geen hercontrole zou plaatsvinden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de toevoegingen bevestigd.