ECLI:NL:RVS:2021:34
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen bij toevoeging rechtsbijstand exclusief vermogen minderjarige kinderen
Appellant vroeg een toevoeging voor rechtsbijstand in hoger beroep in een verbintenisrechtelijk geschil, maar de raad voor rechtsbijstand wees dit af omdat haar fiscale vermogen in 2016 de wettelijke grenzen overschreed. De raad baseerde zich op gegevens van de Belastingdienst en stelde dat het vermogen van de minderjarige kinderen meetelt.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar appellant stelde dat het vermogen van haar kinderen niet haar eigen vermogen is en dat zij daar niet over kan beschikken. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vermogen van minderjarige kinderen buiten beschouwing moet blijven als de aanvrager kan aantonen dat zij daar niet over kan beschikken.
Gezien het ouderschapsplan en de feitelijke zeggenschap van appellant over de rekeningen van haar kinderen, concludeerde de Afdeling dat appellant niet redelijkerwijs over dit vermogen kan beschikken. Daarom is het besluit van de raad onjuist en dient het te worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het besluit van de raad en bepaalt dat het vermogen van minderjarige kinderen buiten beschouwing moet blijven bij de beoordeling van het recht op toevoeging.