ECLI:NL:RVS:2018:323
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J.J. van Eck
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over onterechte intrekking toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand
De zaak betreft het hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin het besluit tot intrekking van een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand aan appellant sub 2 werd vernietigd. De raad had de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken op grond van artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand, omdat het financiële resultaat van de zaak hoger zou zijn dan 50% van het heffingvrij vermogen.
De kern van het geschil betrof de vraag welke vermogensbestanddelen bij de resultaatbeoordeling betrokken mochten worden. De raad rekende onder meer de bankrekeningen van de minderjarige kinderen en een nalatenschap tot het resultaat, terwijl appellant sub 2 stelde dat deze niet tot het resultaat van de verleende rechtsbijstand behoorden. De rechtbank oordeelde dat deze vermogensbestanddelen niet tot het resultaat konden worden gerekend en vernietigde het besluit van de raad.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en overweegt dat alleen het resultaat van de zaak waarvoor de toevoeging is verleend relevant is. De verleende rechtsbijstand had uitsluitend betrekking op de nakoming van het echtscheidingsconvenant en het aanvullende convenant, waarin geen nieuwe afspraken over de bankrekeningen van de kinderen en de nalatenschap zijn gemaakt. De raad heeft het echtscheidingsconvenant ten onrechte betrokken bij de resultaatbeoordeling.
Het hoger beroep van de raad wordt ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 gegrond. De Afdeling veroordeelt de raad tot vergoeding van proceskosten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand door de raad is onterecht bevonden en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.