ECLI:NL:RVS:2018:3258
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingebrekestellen bij exploitatievergunning vaartuig
Op 24 februari 2017 diende appellante een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor een vaartuig. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ontving de aanvraag dezelfde dag en had volgens de Verordening op het binnenwater 2010 een beslistermijn van dertien weken, die met acht weken werd verlengd. Het college stelde de beslistermijn later op onbepaalde tijd opgeschort vanwege een beleidswijziging na een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Appellante stelde het college bij brief van 30 juni 2017 prematuur in gebreke en vorderde een dwangsom. Na het verstrijken van de beslistermijn stelde zij op 24 juli 2017 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling te vroeg was gedaan, wat niet voldeed aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de ingebrekestelling niet prematuur was omdat het college al had aangekondigd binnen de beslistermijn geen vergunning te verlenen, en dat het niet van haar gevergd kon worden eerst een ingebrekestelling te doen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat een ingebrekestelling pas kan plaatsvinden na afloop van de beslistermijn en dat de omstandigheden geen reden geven om hiervan af te wijken. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.