ECLI:NL:RVS:2018:3260
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens premature ingebrekestelling exploitatievergunning
Op 10 april 2017 diende appellant een aanvraag in voor een exploitatievergunning voor een vaartuig. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ontving de aanvraag dezelfde dag en diende binnen dertien weken te beslissen, uiterlijk 10 juli 2017. Het college stelde de beslistermijn op onbepaalde tijd opgeschort vanwege een beleidswijziging na een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Appellant stelde het college op 30 juni 2017 in gebreke en vorderde een dwangsom indien niet binnen twee weken werd beslist. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was, aangezien deze vóór het verstrijken van de beslistermijn plaatsvond. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat een ingebrekestelling pas kan plaatsvinden na afloop van de beslistermijn. De omstandigheden rechtvaardigen niet dat appellant hiervan mocht afwijken. De verwijzing naar artikel 6:83 BW Pro is niet van toepassing op bestuursrechtelijke beslistermijnen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.