ECLI:NL:RVS:2018:3359
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing VOG-aanvraag voor chauffeurskaart wegens justitiële antecedenten
Bij besluit van 3 oktober 2016 wees de staatssecretaris het verzoek van appellant om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart af. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Midden-Nederland op 5 september 2017. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De afwijzing was gebaseerd op meerdere justitiële gegevens, waaronder een veroordeling wegens poging tot diefstal in vereniging met braak, een eerdere veroordeling wegens diefstal in vereniging, een strafbeschikking voor het bij zich hebben van een inbrekerswerktuig en een openstaande zaak wegens onverzekerd rijden. Hoewel appellant eerder op 17 september 2015 een VOG had gekregen, was het strafbare feit van 13 september 2015 toen nog niet in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) opgenomen.
Appellant voerde aan dat de beleidsregels VOG onjuist werden geïnterpreteerd en dat de eerdere verlening van een VOG een nieuwe afwijzing niet rechtvaardigde. De Afdeling oordeelde dat de beleidsregels niet onredelijk zijn en dat elke aanvraag op eigen merites beoordeeld moet worden. De eerdere VOG sluit een nieuwe beoordeling niet uit. Ook is er geen wettelijke grondslag voor verlening van een VOG onder voorwaarden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG-aanvraag bevestigd.