ECLI:NL:RVS:2018:3368
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag wegens strafrechtelijke antecedenten
De zaak betreft het hoger beroep van een vrouw tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor de functie van verzorgende individuele gezondheidszorg in de thuiszorg. De staatssecretaris weigerde de VOG omdat binnen de vierjarige terugkijktermijn in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) meerdere strafrechtelijke veroordelingen op naam van de aanvrager stonden, waaronder oplichting, diefstal en witwassen.
De rechtbank had het beroep van de aanvrager tegen de afwijzing ongegrond verklaard, en in hoger beroep beperkte het geschil zich tot de vraag of het subjectieve criterium voor weigering van de VOG terecht werd toegepast. De aanvrager voerde aan dat zij als slachtoffer van dwang tot strafbare feiten was aangemerkt en dat haar belang bij resocialisatie en voortzetting van haar arbeidsovereenkomst zwaarder zou moeten wegen dan het preventieve belang van de samenleving.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen, waaronder het aantal en de aard van de strafbare feiten, het beperkte tijdsverloop sinds het laatste justitiecontact en de strafrechtelijke afdoening. De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris zich moet baseren op het strafrechtelijke vonnis en niet zelfstandig feiten mag beoordelen. De weigering van de VOG is een preventief bestuursrechtelijk instrument en geen straf.
Gelet op deze overwegingen bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de weigering van de VOG-aanvraag wegens strafrechtelijke antecedenten binnen de terugkijktermijn.