ECLI:NL:RVS:2018:3482
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid sluiting woning wegens drugshandel en toepassing Damoclesbeleid
De burgemeester van Maastricht heeft bij besluit van 23 juli 2014 de woning van appellante gesloten voor drie maanden wegens handel in softdrugs, gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. Na bezwaar en eerdere procedures vernietigde de Afdeling bestuursrechtspraak het besluit wegens onvoldoende motivering, waarna de burgemeester een nieuw besluit nam dat de sluiting handhaafde.
Appellante voerde aan dat de belangenafweging niet zorgvuldig was, dat zij huur moest blijven betalen, en dat de sluiting leidde tot negatieve gevolgen zoals het verlies van sociale huurwoningtoegang en ‘naming and shaming’. Ook stelde zij dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom haar woning als drugspand moest worden aangemerkt.
De burgemeester stelde dat appellante langdurig en structureel drugs handelde, dat haar woning bekend was in het criminele circuit, en dat de sluiting noodzakelijk was om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. De Afdeling oordeelde dat de burgemeester voldoende gemotiveerd had waarom de sluiting noodzakelijk was en dat het Damoclesbeleid niet onevenredig was toegepast.
De Afdeling bevestigde dat de sluiting een bestuurlijke maatregel is en geen strafrechtelijke sanctie, waardoor geen sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM Pro. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de sluiting van de woning gehandhaafd.