ECLI:NL:RVS:2018:3499

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2018
Publicatiedatum
24 oktober 2018
Zaaknummer
201709939/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:54 AwbArtikel 11 Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 augustus 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd bij besluit van 18 mei 2017 ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 november 2017 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag niet overeenkomstig zijn nieuwe vaste gedragslijn onofficiële documenten heeft betrokken om de identiteit en familierelatie van de vreemdeling aannemelijk te maken. Hierdoor was de motivering van het besluit ondeugdelijk. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 mei 2017.

De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.503,00 en tot terugbetaling van het griffierecht van €168,00 aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 23 oktober 2018.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf is vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.

Uitspraak

201709939/1/V1.
Datum uitspraak: 23 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 november 2017 in zaak nr. 17/12029 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 mei 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 november 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508, heeft de Afdeling overwogen dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg staat aan de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen.
2.    De Afdeling heeft de in grief 1 opgeworpen rechtsvragen over het bewijzen van de identiteit van de vreemdeling en zijn gestelde familierelatie met de referent beantwoord in de onder 1. vermelde uitspraak. Omdat uit deze uitspraak volgt dat deze grief in zoverre slaagt, beoordeelt de Afdeling het besluit in het licht van de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris. Uit het besluit volgt niet dat de staatssecretaris overeenkomstig zijn nieuwe vaste gedragslijn onofficiële documenten heeft betrokken of bereid was onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdeling zijn identiteit en gestelde familierelatie met de referent aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris heeft dus ondeugdelijk gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvraag in overeenstemming is met zijn nieuwe vaste gedragslijn.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 mei 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
4.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 november 2017 in zaak nr. 17/12029;
III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van 18 mei 2017, V-nummer [...];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. Van der Wiel    w.g. Van Es
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018
826.