ECLI:NL:RVS:2018:3499
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 augustus 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd bij besluit van 18 mei 2017 ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 16 november 2017 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag niet overeenkomstig zijn nieuwe vaste gedragslijn onofficiële documenten heeft betrokken om de identiteit en familierelatie van de vreemdeling aannemelijk te maken. Hierdoor was de motivering van het besluit ondeugdelijk. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 mei 2017.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.503,00 en tot terugbetaling van het griffierecht van €168,00 aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 23 oktober 2018.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf is vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.