ECLI:NL:RVS:2018:3524
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid toepassing woonlandfactor bij vaststelling voorschot zorgtoeslag
Appellante, een in België wonende Nederlandse AOW-gerechtigde, betwistte de door de Belastingdienst vastgestelde voorschotten zorgtoeslag over 2016 en 2017. De Belastingdienst had deze voorschotten verlaagd vanwege toepassing van de woonlandfactor, een correctie gebaseerd op de lagere zorgkosten in België ten opzichte van Nederland.
De rechtbanken verklaarden het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. Appellante voerde aan dat zij door de verdragsbijdrage en andere zorgkosten in België meer betaalt dan vergelijkbare verzekerden in Nederland, wat volgens haar leidt tot rechtsongelijkheid. Tevens stelde zij dat de woonlandfactor onjuist wordt toegepast.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de woonlandfactor wettelijk is verankerd en niet kennelijk onredelijk wordt toegepast. De zorgtoeslag is bedoeld als tegemoetkoming in de premie voor de Zorgverzekeringswet en houdt rekening met de lagere zorgkosten in het woonland. Kosten zoals hospitalisatieverzekeringen en eigen bijdragen in België zijn niet relevant voor de zorgtoeslag. Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden omdat de situatie van in het buitenland wonenden niet vergelijkbaar is met die van in Nederland wonenden.
De Afdeling wees ook het betoog af dat stukken niet waren overgelegd en dat de regelgeving willekeurig zou zijn toegepast. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de rechtmatige toepassing van de woonlandfactor en wijst het hoger beroep van appellante af.