ECLI:NL:RVS:2018:3727
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering zorgtoeslag 2014 na verblijf in het buitenland
Appellant vroeg in 2011 zorgtoeslag aan en ontving ook voor 2014 voorschotten, terwijl hij dat jaar met zijn partner in Zweden woonde. De Belastingdienst stelde na definitieve berekening vast dat appellant geen recht had op zorgtoeslag over 2014 vanwege de toepassing van de woonlandfactor, die rekening houdt met lagere zorgkosten in Zweden.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag uit 2011 ook voor latere jaren geldt en dat de Belastingdienst de woonlandfactor correct toepaste, zonder ongerechtvaardigd onderscheid te maken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de automatische voortzetting van de aanvraag een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormt en dat de woonlandfactor onjuist is en leidt tot onrechtmatige discriminatie.
De Raad van State verwierp deze bezwaren. De aanvraag wordt geacht ook voor latere jaren te gelden volgens de Awir, en het vertrek naar het buitenland maakt dit niet anders. De woonlandfactor is een wettelijk voorgeschreven correctie die geen ongelijke behandeling inhoudt, omdat de zorgkosten in Zweden lager zijn dan in Nederland. De Afdeling kan niet oordelen over terugbetaling van betaalde premies.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de zorgtoeslag over 2014 bevestigd.