ECLI:NL:RVS:2018:3534
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing voortzetting zorgtoeslag wegens rechtmatig verblijf
Appellante heeft voor de jaren 2013 en 2014 zorgtoeslag aangevraagd, een tegemoetkoming op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De kern van het geschil betreft de vraag of zij gedurende de periode van 21 oktober 2013 tot en met 31 december 2014 rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, wat bepalend is voor de aanspraak op zorgtoeslag.
In een eerdere uitspraak van 29 maart 2017 werd vastgesteld dat appellante rechtmatig verblijf had tot 21 oktober 2013, maar niet daarna. De Belastingdienst stelde daarop de zorgtoeslag voor de periode na die datum op nihil. Appellante voerde aan dat het instellen van beroep en hoger beroep tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning automatisch schorsende werking heeft, waardoor zij rechtmatig verblijf zou behouden gedurende de beroepsprocedure, verwijzend naar artikel 13 EVRM Pro en jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het eerdere oordeel over het ontbreken van rechtmatig verblijf na 21 oktober 2013 onherroepelijk is en dat het genoemde arrest van het EHRM niet ziet op reguliere verblijfsrechtprocedures zoals deze zaak. Hierdoor kan niet worden teruggekomen op het oordeel dat appellante vanaf die datum geen aanspraak op zorgtoeslag heeft. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 oktober 2018.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de voortzetting van zorgtoeslag na 21 oktober 2013 te weigeren wordt ongegrond verklaard.