ECLI:NL:RVS:2018:3537
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- E.J. Daalder
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving verwijdering perceelafscheiding zonder vergunning op bedrijventerrein
Het college van burgemeester en wethouders van Heusden legde aan [appellante sub 1] een last onder dwangsom op om een muur op een perceel met bestemming 'Groen' te verwijderen, omdat deze zonder vereiste omgevingsvergunning was gebouwd. De muur stond op een strook grond met een andere bestemming dan het bedrijfsdeel, en er was geen gebouw aanwezig waarmee de muur in functionele relatie stond.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was tot handhaving en dat er geen sprake was van onevenredigheid, mede omdat het ontbreken van een aanvraag voor een bedrijfsgebouw betekende dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. [Appellante sub 1] stelde hiertegen beroep in en voerde onder meer aan dat de muur vergunningvrij was, dat handhaving onevenredig was en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren. Zij bevestigde dat de muur niet vergunningvrij was omdat er geen gebouw stond waarmee een functionele relatie bestond. Ook was het ontbreken van een aanvraag voor een bedrijfsgebouw doorslaggevend voor het ontbreken van concreet zicht op legalisatie. De bezwaren over onevenredigheid en het gelijkheidsbeginsel faalden eveneens. Het incidenteel hoger beroep van het college werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het handhavingsbesluit en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.