ECLI:NL:RVS:2018:3546
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot zorgtoeslag na toetsing toeslagpartnerschap en hoorplicht
De appellant ontving in 2016 een voorschot zorgtoeslag dat door de Belastingdienst/Toeslagen werd herzien naar een lager bedrag. De dienst stelde dat de toeslagpartner tot en met 30 november 2016 terecht was aangemerkt, omdat de inschrijving in de basisregistratie personen (BRP) en het verzoek tot echtscheiding niet aan de voorwaarden voldeden om het toeslagpartnerschap te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Belastingdienst de toeslagpartner correct had aangemerkt en dat er geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld over het toeslagpartnerschap en dat hij niet correct was gehoord.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat volgens de wet beide voorwaarden van artikel 5a, vierde lid, Awr vereist zijn om het toeslagpartnerschap te beëindigen: het verzoek tot echtscheiding en het niet meer samen ingeschreven staan in de BRP. Aangezien het verzoek pas op 22 november 2016 was ingediend en de inschrijving tot 11 oktober 2016 bestond, was de toeslagpartner tot en met 30 november 2016 terecht aangemerkt.
Ten aanzien van de hoorplicht oordeelde de Afdeling dat de Belastingdienst appellant de mogelijkheid tot een mondelinge toelichting had geboden en dat appellant via zijn gemachtigde tweemaal telefonisch had aangegeven geen gebruik te willen maken van deze mogelijkheid. Dit was niet betwist en de rechtbank had de juiste conclusie getrokken dat de hoorplicht niet was geschonden.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.