ECLI:NL:RVS:2017:3260
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende uren- en kostenbewijs
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep tegen de nihilstelling van haar kinderopvangtoeslag over 2013 ongegrond verklaarde. De Belastingdienst had de aanspraak op toeslag vastgesteld op nihil en de reeds uitgekeerde voorschotten teruggevorderd omdat appellant geen bewijs had geleverd van het aantal uren dat haar partner in zijn onderneming had gewerkt en van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor kinderopvang.
De rechtbank oordeelde dat de partner van appellant terecht als toeslagpartner was aangemerkt, omdat er geen verzoek tot echtscheiding was ingediend in 2013, en dat appellant onvoldoende inzicht had gegeven in het aantal gewerkte uren van haar partner. Ook ontbrak bewijs van de kosten van kinderopvang en de betaling daarvan.
In hoger beroep stelt appellant dat haar partner vanaf april 2013 niet meer op hetzelfde adres stond ingeschreven en dat zij vanwege hun scheiding geen urenregistratie kan overleggen. De Raad van State wijst dit af omdat volgens de wet pas sprake is van geen toeslagpartnerschap als ook een verzoek tot echtscheiding is ingediend. Tevens is het aan appellant om het aantal gewerkte uren aannemelijk te maken met een deugdelijke administratie.
Omdat appellant niet heeft aangetoond hoeveel uren haar partner heeft gewerkt, heeft zij geen aanspraak op kinderopvangtoeslag. De overige argumenten behoeven geen bespreking. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag bevestigd.