ECLI:NL:RVS:2018:3672
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoeding rechtsbijstand bij herzieningsverzoek toeslagen
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de intrekking van een vergoeding voor verleende rechtsbijstand bij een herzieningsverzoek huurtoeslag 2012. De Raad voor Rechtsbijstand had de vergoeding ingetrokken op grond van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegingscriteria, omdat het verzoek niet als toevoegingswaardig werd beschouwd.
De rechtbank had dit standpunt bevestigd en geoordeeld dat herzieningsverzoeken op grond van artikel 21a Awir onder de regeling vallen die geen toevoeging toestaat, tenzij sprake is van juridische of feitelijke complexiteit. De rechtsbijstandverlener voerde aan dat de zaak wel complex was vanwege wetstechnische en systematische gronden, en dat eerdere soortgelijke zaken toevoegingswaardig waren bevonden.
De Raad van State oordeelt dat het High Trust-programma en het convenant tussen de raad en rechtsbijstandverleners uitgaan van wederzijds vertrouwen en dat de helpdesk geraadpleegd had moeten worden. De Raad bevestigt dat de werkinstructie C030 en het beleid van de raad terecht herzieningsverzoeken als niet toevoegingswaardig aanmerken, tenzij uitzonderlijke complexiteit aanwezig is.
De Raad vindt dat de rechtsbijstandverlener onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zaak juridisch of feitelijk complex was en wijst het hoger beroep af. Ook het beroep op vertrouwen in eerdere steekproeven faalt, omdat elke zaak op eigen merites wordt beoordeeld.
De intrekking van de vergoeding wordt daarmee bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de vergoeding voor rechtsbijstand bij het herzieningsverzoek huurtoeslag wordt bevestigd.