ECLI:NL:RVS:2018:3767
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verlenging van bewaringsmaatregel wegens ontbrekende ondertekening
De vreemdeling was in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel werd bij besluit van 8 februari 2018 verlengd met maximaal twaalf maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze verlenging ongegrond, ondanks dat het verlengingsbesluit niet was ondertekend. De vreemdeling stelde dat het ontbreken van een handtekening strijdig was met artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat vereist dat een maatregel gedagtekend, ondertekend en met redenen omkleed moet zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het ontbreken van de handtekening betekent dat er geen rechtsgeldig verlengingsbesluit tot stand is gekomen. Dit gebrek is ernstig omdat het gaat om vrijheidsontneming. De eerdere jurisprudentie die ruimte liet voor belangenafweging wordt in dit geval teruggenomen, omdat de maatregel zonder geldige titel is opgelegd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het verlengingsbesluit gegrond. Omdat de maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van 8 tot 27 februari 2018. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het verlengingsbesluit wordt onrechtmatig bevonden wegens het ontbreken van een ondertekening.