ECLI:NL:RVS:2018:3810
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring van geschiktheid door CBR wegens drugsmisbruik
Appellant heeft bij het CBR een aanvraag ingediend voor een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen categorie B. Na onderzoek door een arts en psychiater concludeerde het CBR op basis van een rapport dat appellant niet rijgeschikt is vanwege drugsmisbruik, met name cannabis. Het CBR weigerde de verklaring en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant voerde aan dat hij niet dagelijks cannabis gebruikte, recent was gestopt en dat het CBR ten onrechte geen urineonderzoek had aangeboden in bezwaar. Ook stelde hij dat het rapport niet volgens de DSM-IV-TR-classificatie tot drugsmisbruik kwam en dat eerdere keuringen hem wel geschikt achtten. De Afdeling oordeelde dat het rapport inhoudelijk consistent en voldoende onderbouwd was, dat het CBR zich op dit rapport mocht baseren en dat het niet verplicht was in bezwaar opnieuw urineonderzoek aan te bieden nadat appellant eerst had geweigerd mee te werken.
De Afdeling concludeerde dat het CBR terecht tot ongeschiktheid heeft besloten vanwege het vastgestelde drugsmisbruik en dat de persoonlijke omstandigheden en latere schone urine niet tot een ander oordeel leiden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot weigering van de verklaring van geschiktheid wordt bevestigd.