ECLI:NL:RVS:2018:3824
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunningverlening voor coffeeshop en restaurant ondanks bezwaren omgevingsplan en APV
De burgemeester van Amsterdam verleende op 28 mei 2015 exploitatievergunningen en een gedoogverklaring voor een coffeeshop en een restaurant aan de Coenhavenweg 26A. Diverse omwonenden en bedrijven, waaronder Havenbedrijf Coenhaven B.V. en Maalwerk Amsterdam B.V., maakten bezwaar tegen deze besluiten en stelden dat de vergunningen in strijd waren met het bestemmingsplan en nadelige gevolgen hadden voor het woon- en leefklimaat, de openbare orde en veiligheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van deze appellanten gegrond en vernietigde het besluit van 23 oktober 2015 waarin de burgemeester de bezwaren ongegrond verklaarde. De burgemeester en de vergunninghouders gingen in hoger beroep, evenals de appellanten incidenteel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 21 november 2018 het hoger beroep van de burgemeester en vergunninghouders ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van appellanten verworpen.
De Afdeling oordeelde dat de burgemeester terecht heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond uit artikel 3.3 van de APV niet van toepassing is, mede omdat het restaurant en de coffeeshop niet als kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) kunnen worden aangemerkt. Ook werd bevestigd dat de exploitatievergunning voor de coffeeshop niet strijdig is met het bestemmingsplan omdat deze is verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf zonder terras en niet voor een smartshop.
Verder werd overwogen dat de burgemeester bij de vergunningverlening terecht beleidsruimte had bij de afweging van belangen omtrent het woon- en leefklimaat, de openbare orde en veiligheid. De pilot coffeeshops werd correct toegepast en er was geen sprake van overlast of veiligheidsproblemen. Het besluit van 13 juli 2017, waarin de burgemeester de bezwaren opnieuw ongegrond verklaarde, werd daarmee bevestigd. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de appellanten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de vergunningverlening en verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2017 ongegrond.