ECLI:NL:RVS:2018:3836

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
21 november 2018
Zaaknummer
201802864/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:54 AwbArtikel 11, tweede lid, Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering

Bij besluiten van 15 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, welke op 22 mei 2017 ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 12 maart 2018 de beroepen eveneens ongegrond.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze toetste de besluiten aan een nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals uiteengezet in een eerdere uitspraak van 16 mei 2018. De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris niet had aangetoond dat hij onofficiële documenten had betrokken bij de beoordeling van identiteit en familierelaties, zoals vereist volgens de nieuwe gedragslijn.

Hierdoor was de motivering van de afwijzing ondeugdelijk. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 22 mei 2017, en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf worden vernietigd.

Uitspraak

201802864/1/V1.
Datum uitspraak: 20 november 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3], [vreemdeling 4], [vreemdeling 5], [vreemdeling 6], [vreemdeling 7] en [vreemdeling 8],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 maart 2018 in zaken nrs. 17/11991 en 17/11992 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 15 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij onderscheiden besluiten van 22 mei 2017 heeft de staatssecretaris de tegen die besluiten door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2018 heeft de rechtbank de tegen die besluiten door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508, heeft de Afdeling overwogen dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg staat aan de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen.
2.    De Afdeling heeft de in de grieven 1 tot en met 3 opgeworpen rechtsvragen over het bewijzen van de gestelde identiteit van de vreemdelingen en hun gestelde familierelatie met de referent beantwoord in de onder 1 vermelde uitspraak. Omdat uit deze uitspraak volgt dat deze grieven in zoverre slagen, toetst de Afdeling de besluiten van 22 mei 2017 in het licht van de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris. Uit de besluiten volgt niet dat de staatssecretaris overeenkomstig zijn nieuwe vaste gedragslijn onofficiële documenten heeft betrokken of bereid was onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdelingen hun identiteit en de gestelde familierelatie met de referent aannemelijk hebben gemaakt. De staatssecretaris heeft dus ondeugdelijk gemotiveerd dat de afwijzing van de aanvragen in overeenstemming is met zijn nieuwe vaste gedragslijn.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdelingen voor het overige aanvoeren, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van
22 mei 2017 alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
4.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 maart 2018 in zaken nrs. 17/11991 en 17/11992;
III.    verklaart de door de vreemdelingen in die zaken ingestelde beroepen gegrond;
IV.    vernietigt de besluiten van 22 mei 2017, V-nummers […], […], […], […], […], […], […] en […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Hanrath
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018
392.