ECLI:NL:RVS:2018:3836
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
Bij besluiten van 15 augustus 2016 heeft de staatssecretaris aanvragen van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, welke op 22 mei 2017 ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde bij uitspraak van 12 maart 2018 de beroepen eveneens ongegrond.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze toetste de besluiten aan een nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals uiteengezet in een eerdere uitspraak van 16 mei 2018. De Afdeling constateerde dat de staatssecretaris niet had aangetoond dat hij onofficiële documenten had betrokken bij de beoordeling van identiteit en familierelaties, zoals vereist volgens de nieuwe gedragslijn.
Hierdoor was de motivering van de afwijzing ondeugdelijk. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 22 mei 2017, en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf worden vernietigd.