ECLI:NL:RVS:2018:3958
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering toeslagen op basis van definitief vastgesteld inkomen
In deze zaak betwist appellant de definitieve vaststelling van zijn huur- en zorgtoeslag over 2016 door de Belastingdienst/Toeslagen. De dienst had de voorschotten gebaseerd op een geschat inkomen van €26.901, terwijl het definitief vastgestelde inkomen €28.272 bedroeg. Hierdoor werd het recht op toeslag lager vastgesteld, wat leidde tot terugvordering van een deel van de voorschotten.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de hoogte van de voorschotten en dat de Belastingdienst terecht uitging van het definitief vastgestelde inkomen. Appellant voerde aan dat hij niet kon controleren of het geschatte inkomen juist was en dat de dienst hem had geadviseerd geen bezwaar te maken tegen de voorschotbesluiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. Zij verwijst naar de wettelijke regeling dat voorschotten kunnen worden herzien en dat geen recht op een toeslag bestaat die gelijk is aan het voorschotbedrag. De Belastingdienst is bovendien verplicht het definitief vastgestelde inkomen te volgen bij het vaststellen van de toeslagen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.