ECLI:NL:RVS:2018:3296
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens woonplaats toeslagpartner buiten EU en Zwitserland
Appellante heeft kinderopvangtoeslag aangevraagd voor 2015, maar de Belastingdienst stelde deze definitief vast op nihil omdat haar partner in Costa Rica woonde en niet in een EU-lidstaat of Zwitserland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat de wetgeving strijdig is met het IVRK en het EVRM omdat zij zonder toeslag niet kon werken en haar partner niet naar Nederland kon komen. De Afdeling overweegt dat de toeslag een financiële bijdrage is aan de ouder, niet aan het kind zelf, en dat de uitsluiting op grond van woonplaats gerechtvaardigd is en binnen de beleidsvrijheid van de Staat valt.
Verder is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel omdat het voorschot niet gelijkstaat aan een definitief recht op toeslag. Ook het beroep op discriminatie en schending van het recht op privéleven faalt. De terugvordering van teveel ontvangen voorschotten is wettelijk geregeld en proportioneel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderopvangtoeslag over 2015 blijft vastgesteld op nihil.