ECLI:NL:RVS:2018:4075
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kosten bestuursdwang voor onjuist aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 4 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het onjuist aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door appellant. Het college stelde een deel van de kosten (€126,00) voor rekening van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze kosten, stellende dat hij of zijn vriendin de afvalstoffen op correcte wijze had aangeboden en dat het college onvoldoende bewijs had voor de kostenverhaal.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het college mag aannemen dat degene aan wie de afvalstoffen zijn toe te schrijven ook de overtreder is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij niet de overtreder was. De stelling dat de vriendin de afvalstoffen correct had aangeboden was onvoldoende, en de kans dat de afvalstoffen uit de container waren gevallen werd als klein beoordeeld.
Verder oordeelde de Afdeling dat de kostenberekening van het college, die ook onderzoek en rapportage omvatte, niet onredelijk hoog was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de kosten van bestuursdwang wegens onjuist aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.